Verwachte exitgolf in private equity laat op zich wachten
Dat raakt beleggers in private equity-fondsen, family offices en participatiebeleggers.
Begin dit jaar leek het bijna vanzelfsprekend: 2026 zou het jaar worden waarin private equity eindelijk massaal bedrijven in de portefeuille zou verkopen. Na jaren van hogere rente, lage waarderingen en uitgestelde transacties rekenden experts op een inhaalbeweging. Maar aan het einde van het voorjaar is het beeld gemengder dan gehoopt.
De veelbesproken exitgolf laat zich nog niet overtuigend zien en dat raakt beleggers in private equity-fondsen, family offices en participatiebeleggers.
Uiteindelijk draait rendement immers niet alleen om waarderingen op papier, maar om daadwerkelijk uitgekeerd kapitaal. En juist daar wringt het.
Private-equitypartijen kampen al enkele jaren met bedrijven die langer in portefeuille blijven dan oorspronkelijk gepland. Volgens recente analyses van consultancybureau McKinsey steeg het aandeel van ondernemingen die vier jaar of langer in bezit zijn van private-equityhuizen in 2025 verder.
Patstelling
De oorzaak is bekend. Veel bedrijven werden gekocht in de periode van extreem goedkoop geld, toen waarderingen hoog opliepen. Sinds de rentestijgingen zijn financiers kritischer geworden en liggen multiples lager. Verkopers en kopers zaten daardoor jarenlang in een patstelling: fondsmanagers wilden niet tegen lagere prijzen verkopen, terwijl kopers terughoudend bleven.
Inmiddels lijkt die waarderingskloof wel kleiner te worden. Onder meer S&P Global signaleert dat Europese private-equityexits in 2025 aantrokken doordat kopers en verkopers dichter bij elkaar kwamen in prijsverwachtingen. Ook neemt de druk van beleggers toe om kapitaal terug te laten vloeien.
Aandacht voor liquiditeit
Binnen private-equity verschuift de focus steeds vaker van theoretische rendementscijfers naar gerealiseerde kasstromen. De traditionele maatstaf IRR (internal rate of return) verliest terrein ten gunste van DPI (distributed to paid-in capital), oftewel hoeveel geld er daadwerkelijk is terugbetaald aan investeerders.
Volgens recente analyses van The Wall Street Journal wordt die verschuiving steeds belangrijker nu exits langer op zich laten wachten.
Dat verklaart ook waarom alternatieve exitvormen terrein winnen. Secondary-transacties, waarbij private-equitypartijen bedrijven onderling doorverkopen, nemen toe.
Daarnaast winnen continuation funds aan populariteit: constructies waarbij succesvolle assets in een nieuw fonds worden ondergebracht, zodat beleggers desgewenst deels kunnen uitstappen terwijl fondsmanagers langer aan waardecreatie werken.
Critici zijn niet onverdeeld enthousiast. Wanneer assets van de ene private-equitypartij naar de andere verschuiven, ontstaat niet automatisch een hogere waarde.
Bovendien klinkt soms de kritiek dat continuation fondsen vooral dienen om lastige exits uit te stellen.
Voorzichtige normalisering
Tegelijkertijd zijn er signalen dat de markt voorzichtig normaliseert. Bain constateert in zijn meest recente Global Private Equity Report dat exitwaardes in 2025 aantrokken, geholpen door enkele grote transacties en een heropening van de IPO-markt.
Maar de opleving is vooralsnog beperkt en uitkeringen aan beleggers blijven relatief laag. De motor draait dus weer, maar nog niet op volle toeren.